StartersCursus Damproblemen maken – deel 4: het terugwerken van een motief

Nieuwe mogelijkheden

Het cursusmotief is in deel 3 van de cursus al enkele keren al dan niet succesvol bewerkt. Daarbij hoeft het niet te blijven want een problemist denkt altijd: “Wat kan ik nog meer doen met dit thema ? Misschien leidt een verdieping tot een betere compositie.” In het motievenblok zagen we al dat motief m1 is terug te werken. Bijvoorbeeld één stap tot motief m2. Met zwart aan zet wint het na (27-32) alleen voor wit door met de schijf te spelen: 20-15! Door dit kleine verschil in de motiefstand zijn er wellicht nieuwe combinatieve mogelijkheden te vinden.

m2                           3j                               3k

m2.jpg  3j.jpg  3k.jpg

Zo zou wit nu veld 20 kunnen bereiken door een slag vanaf de basislijn. Tijdens een korte pauze in een fietstocht – componeren kun je vrijwel overal doen! – kwam ik aan de oever van de Maarsseveense Plassen tot dia 3j. Wit wint gemakkelijk door 41-37, 50-44, 30-25, 25x3, 44-40, 43-39, 49x20 en motief m2 is ontstaan. Terugredenerend is te zien hoe gemakkelijk dit ding tot stand kwam. Je zet een slag 49x20 klaar, zorgt dat de zwarte schijf 24 van veld 15 vertrekt en voegt dan de slag 25x3 over vier schijven toe. Dan nog een beetje stoeien met de afwerking en klaar. Geen geweldig probleem, maar wel instructief voor de cursus. Interessanter vond ik de uitdaging om schijf 20 van veld 29 te laten komen. Ook dat bleek niet heel moeilijk realiseerbaar en het resultaat, dia 3k, beviel mij beter dan 3j. In dia 3k wint wit tamelijk spectaculair door 18-12! (8x30), 45x3 en zwart mag kiezen: op (16x27) volgt 29x20 met motief m2. Slaan met schijf 24 is echter nog erger want dan heeft wit een tempo dat uiteraard door de dam wordt benut: 3-20! enzovoort met winst. De slag (8x30) in 3k noemen problemisten ‘economisch’ en daarmee bedoelen zij dat zwart tegelijk een viernemer, een drienemer en een tweenemer (en eventueel nog een éénnemer als dat had gekund) voor z’n kiezen krijgt. Was die drienemer bijvoorbeeld hier een éénnemer geweest, dan voelt zo’n meerslag toch wat grof. Immers, 4/3/2 oogt mooier dan 4/2/1. In problemen zie je wel eens 4/3/3/3/2/2/1/1 of iets dergelijks op het bord verschijnen en hoe meer slagmogelijkheden er zijn hoe aangenamer. Toch ? Natuurlijk hanteren (hedendaagse) problemisten de ‘economieregel’ niet te streng. Als er een mooi probleem te fabriceren is waarin een oneconomische slag optreedt nemen zij dat voor lief.

 

Publicatie

Het leuke van componeren is ook dat je op zoek kunt gaan naar afnemers. Zo bood ik 3j bij Rik Keurentjes aan ter publicatie in zijn damrubriek die zowel in de Meppeler Courant als de Dedemsvaarter en de Steenwijker Courant verschijnt. Op 9 oktober 2009 beleefde 3j aldus zijn eerste, regionale publicatie. Collega problemist Arjen Timmer verzorgt de probleemrubriek in de Gelderse Dammer. Dia 3k verschijnt in maart 2010 in zijn rubriek.

3l                                3m

3l.jpg  3m.jpg

Dia 3l verscheen al in juli 2009 in de serie die ik jaarlijks voor de toernooibulletins van het Nijmegen Open reserveer. Nikhila nam ‘m over in Het Parool. Het naspelen zal je laten zien dat het motief weer een stap verder is teruggewerkt, tot motief 3b (zie motievenblok in cursusdeel 1). Zwart heeft na 30-25! 32-28, 49x38, 25x3, 38x20! weinig keus en zal proberen de lange lijn over te steken: (36-41). Terugwerpen met 42-37 levert dan de stand van motief m2 op waarin de zet (27-32) al is gespeeld. In dit probleem heb ik duidelijk geprobeerd de slag 49x20 in twee stappen te laten plaatsvinden. Componeren is in feite het voortdurend vragen stellen aan jezelf. “Zou het mogelijk zijn om …. ?” De ene keer luidt het antwoord ja, de andere keer (vooralsnog) nee. Het resultaat van dia 3l bevalt mij omdat er na de zet 32-38 een stelling is ontstaan die men ‘organisch’ zou kunnen noemen. Een plak schijven die niet helemaal van dezelfde kleur is, maar waarin ook geen chaos optreedt. Ik kan gerust een poosje genieten van zo’n stellingbeeld.

Zo kom ik bij het begrip ‘standaanblik’. Partijspelers gunnen zich volgens mij vaak niet het plezier om te genieten van een aantrekkelijk plaatje dat evenwel niet aan een partijstand doet denken. Bijvoorbeeld dia 3m, verschenen in dezelfde oktoberrubriek van Keurentjes. Iedere dammer weet dat deze stelling zich nooit in een partij zal voordoen – en dan vooral vanwege de merkwaardige positie rechtsonder op het bord. Toch vind ik de aanblik prettig. Het ‘achterloopje’ op de verder geheel verlaten linker bordhelft staat in schril contrast met de door een dozijn witte en zwarte schijven gevormde stelling op de rechter bordhelft. Toch hebben die alles met elkaar te maken: 43-38, 45x3, 30-24! 25x14 en er is weer een ander motief ontstaan, nr.2b uit het motievenblok. Dit motief vereist enige scherpte namens zwart. Zou men kiezen voor (32-37?) dan wint zowel 3-26, (37-41), 26-37 of 14-9 enzovoort, als eerst 14-9 en dan pas 3-26, enzovoort. Zwart kan het winstplan echter wel degelijk eenduidig laten verlopen door te kiezen voor (32-38!) en nu moet wit eerst van schijf 14 af, want die staat in de weg! Dus 14-9! 3-20! en we zitten weer op het vertrouwde spoor. In feite zorgt de mogelijke zetverwisseling in de ene variant er voor dat de andere, scherpe variant aan kracht wint. Mooi toch ? Die precisie in het ontleden van de stelling brengt ons bij het volgende onderwerp.

 

Schuifdwang

Een moeilijk onderdeel van het componeren is het laten meedenken van zwart tijdens of voorafgaande aan het slagwerk. Het vereist meer van je analytische gaven om te onderzoeken of je wit en zwart al schuivende en slaand tot een gave compositie kunt laten komen. Het beste voorbeeld is dan ook een mislukt experiment.

3n                              3o       

3n.jpg  3o.jpg

Sommige problemisten zijn dol op het toepassen van schuiven, ook voor zwart, omdat er dan meer strijd ontstaat tussen de beide kleuren. De keuzevrijheid kan een probleem aanzienlijk meer inhoud geven. Grootmeester Hans Jansen sprak eens van het “te mechanische karakter” van veel damcomposities. Ik kan me voorstellen dat juist (sterke) partijspelers dol zijn op keuzevrijheid voor de bovenliggende en de onderliggende partij, maar helaas werpen zij zich tot op heden weinig op het zelf componeren van dergelijke schuifdwangproblemen. Zelf poogde ik het flauwe 3n (oplossing 48-43, 37-32, 32x3, enzovoort) als basis te kiezen voor een schuifdwangprobleem. Het resultaat was bijna een voltreffer, maar helaas ontplofte de bom in de lucht. Het aldaar zichtbare vuurwerk wil ik toch graag laten zien. In 3n kan wit met de zet 25-20 niet het antwoord (3-9) afdwingen, want die zet is voor zwart niet verplicht. Onderzoekend hoe ik de zet (3-9) wel af kon dwingen kwam ik terecht bij dia 3o. Laat ik dan eerst de “voorspoedige varianten” geven die op het bord kwamen. Componeren is vaak het onderzoeken van een stand die op je bord verschijnt zonder dat je weet of het mogelijk een compositie is. Of de stand bruikbaar is moet de analyse uitwijzen.

 

Na 25-20 kan er volgen: (3-9), 37-32 en nu

I  (22-28?) 34-29, 32x3, 20-15, enzovoort.

II (13-18) 39-33, (19-24, 9-13), 29-24, (22-27!? Z), 32x21, (13-19), 24x22, (23-28!!)

Zwart lijkt nu op wonderbaarlijke wijze te ontsnappen, maar niets is minder waar:

22-17! 17-11, (30-34), 11-6, (34-40), 38-32, (40-44), 32-27! en wit heeft een dubbele vangstelling klaar staan. Geheel toevallig zijn we vanuit ons schuifdwangexperiment bij een reeds bekende winst terecht gekomen, want de stand na (28x30) blijkt al in 1948 ontdekt en bewerkt te zijn door de legendarische Wiebe Monsma (1895-1982).

 

Je kunt je voorstellen dat ik zeer tevreden was met deze vondst. Zoals zo vaak blijkt er echter een adder onder het gras te zitten, want de computer wees me op het moment bij Z. Na 29-24 hoeft zwart niet (22-27?) te spelen. In plaats van het driedubbeloffer kan zwart ook kiezen voor (13-19, 18x9) en op de volgende zet (23-28). Dan bereikt hij een 4 om 2 eindspel dat niet meer te winnen is. Jammer !

Trouwens, problemen waarin vanaf de eerste zet gebruik wordt gemaakt van schuifdwang noemt men ‘forcings’. Eigenlijk is dit een taalkundige blunder, want het zou moeten zijn ‘forcering’, net zoals we bijvoorbeeld lancering zeggen en niet ‘lancing’. Het woord forcing is echter zo ingeburgerd dat we het maar zo laten.

 

Vooronderzoek

Het vergt veel studie en volhardendheid om te componeren, vooral als je jezelf op het lastige gebied van schuifdwang of eindspel begeeft, want de meeste pogingen leveren geen resultaat op. Het resultaat van vruchtbare arbeid is dan echter vaak wel van een prachtige, zich langzaam ontluikende schoonheid. Hiermee wil ik dan ook deze aflevering besluiten. Damproblemen zijn voor de kijker een afgerond verhaal, soms zelfs slechts een vluchtige puzzel, maar alleen de problemist weet hoeveel vooronderzoek er aan vooraf gegaan is om zo’n compositie de wereld in te kunnen sturen. “Wat een wonder dat alles klopt” is een vaak gehoorde opmerking. Eigenlijk is het juist geen wonder, want van al die keren dat het niet klopt krijgt de kijker zelden iets te zien… Nou ja, zelden ? Voor de oplossers blijkt gelukkig nog vaak genoeg dat de problemist zijn vooronderzoek niet grondig genoeg heeft verricht. Dankzij het aantonen van bijoplossing of falen kan de oplosser dan enkele welkome extra punten bijschrijven.

De enige vraag aan de deelnemers van de cursus luidt dit maal: wat vind je het leukste onderdeel van het damspel ? Eindspel ? (Subtiele varianten met soms zeer verrassende combinaties) Vlammende combinaties ? (die moeilijk te vinden zijn) Een gevecht tussen wit en zwart waarin beiden zich van hun strategisch en combinatief sterkste kant laten zien ?

Deze vragen zullen je een antwoord geven op wat de problematiek je kan bieden. En dat geldt dan zowel voor de problemist in spé als de toekomstige onderzoeker van andermans damcomposities. Deze cursus is namelijk ook bedoeld om je er op te wijzen dat je mooie composities aan damvrienden kunt laten zien. Op de clubavond, in een damperiodiek of in een zelf te starten damrubriek in de (regionale) krant ! Maak promotie voor het damspel !