StartersCursus Damproblemen maken - Deel 3: de eerste bewerkingen

Voor menig partijspeler geldt dat een damprobleem al gauw de band met de partij mist. Dat is echter wel wat kort door de bocht. In het vervolg van de cursus zullen namelijk, naast lichte fantasiestanden en “echte” fantasiestanden, ook fragmenten opduiken die zó uit de partij weggelopen lijken. Je weet immers maar nooit waar je op uitkomt als je gaat componeren!

Beginnen bij de basis

m2a                          m3a

m2a.jpg  m3a.jpg

In het motievenblok van cursusdeel 1 zou je de motieven m2a en m3a – hier nogmaals op diagram, zonder ontleding, zwart aan zet – kunnen beschouwen als de ‘basismotieven’. Er staan geen extra zwarte schijven bij en de witte schijf en dam staan op die plekken die het eenvoudigst bewerkbaar zullen blijken. Vandaar dat we nu alleen deze twee motieven gaan bewerken, althans, we bewerken m2a met slagwerk en m3a al vast even met eindspelletjes. Slagwerkbewerkingen van m3a en enkele complexere motiefvariaties komen volgende keer aan de beurt.

3.1a                          3.1b                          3.2X

 31a.jpg  31b.jpg   32x.jpg

Twee eindspelletjes

Motief m3a blijkt heel mooi tot twee kleine eindspelletjes om te toveren. Op dia 3.1a, waarin schijf 9 ook een dam mag zijn, zien we een 2 tegen 2 die ongetwijfeld in computerbestanden (eindspeldatabases) voor zal komen. Daaronder bevinden zich echter duizenden winnende eindspelletjes van dat formaat die niemand interessant zal vinden. In de uitgave van Arie van der Stoep (1993) waarin mini-eindspelen van het kaliber 2 tegen 2 zijn verzameld die voor wit ‘eenduidig’ (d.w.z. op slechts 1 manier) winnen ontbrak deze stand nog. Winst volgt na 9-3, (8-13) volgens het inmiddels bekende principe 20-15! en zowel op (32-38) als (32-37) gaat wit zijn dam offeren en met schijf 15 op veld 4 een nieuwe, winnenden, dam halen.

De stand van dia 3.1b, winst door 19-14 enzovoort vanuit een standje waarin de schijven 20 en 27 de slaande schijven ondersteunen, is opgenomen in De Problemist van oktober 2008 en daarmee werd het cursusmotief voor het eerst gepubliceerd ! Het fijne is dat eindspelredacteur Gerrit de Bruijn in de rubriek van december 2008 een historisch overzicht gaf van oudere eindspelen die een raakvlak hebben met dit eindspel, maar die wegens het ontbreken van een tweede scherpe variant minder tot de verbeelding spreken…. Op het begrip eindspel kom ik in de cursus zeker nog terug. We gaan nu meteen door naar het slagwerk in dia 3.2X, een “werkstand”.

Als je de dam op veld 3 door een slag op zijn plek wilt laten komen ligt de wijze van slaan op dia 3.2X nogal voor de hand. N.B. Merk op dat de dam ook een schijf mag zijn. Door een meerslagje in te bouwen kun je al gauw een correct probleem(pje) maken. Zie als voorbeeld dia 3.2. Had je die zelf al gevonden ? Best leuk hoe wit door 15-10! 10x8 en 20-15 de werkstand op het bord brengt. Bij het componeren streeft men er gewoonlijk naar geen doorgebroken witte en zwarte schijven in de beginstand (3.2) toe te laten. Mocht dat toch het geval zijn dan mag de inhoud van het probleem – het slagwerk + eventueel motief – best mooi zijn, graag zelfs, maar dan zie ik zelf bij voorkeur compensatie optreden voor de niet helemaal geslaagde aanvangsstand (beginstand). Die compensatie kan aanwezig zijn door een bijzonder inhoudelijk element dat zich niet in een vlekkeloze vorm laat gieten.

3.2                            3.3                            3.3X

32.jpg  33.jpg   33x.jpg

In 3.2 zien we een keurig miniatuur, met even veel witte als zwarte schijven. De ontleding is alleen nog een beetje simpel, het mag wat uitdagender. Wat denk je van dia 3.3 ? Het randveld 36 wordt heel graag gebruikt door problemisten. Omdat er vaak een zwarte dam in problemen voor komt is dat randveld wel een heel uitnodigend honk om je dam vandaan te halen. In 3.3 zien we door de zet 23-19 ! een dwangslag voor zwart. Slaan met schijf 36 gaat immers heel snel mis. Beter is (14x23) en dan bereikt wit met 39-33 en 33-28 dia 3.3X.

Denk nu even terug “als problemist”. De slag 10x8 in 3.2 heb ik vervangen door 28x8, waarbij de zwarte schijf op veld 32 handig als hulpmiddel fungeert. Van dia 3.3X naar het eindproduct 3.3 is een kleine stap. Het onderzoek richt zich vooral op die stand 3.3X. Wint 25x3 soms ook ? Nee, gelukkig net niet. Er zou dan namelijk volgen: (23-29), 28x37, (29-34), 3-25, (34-40), 25-39, (40-45), 39-50, (13-18), 37-32, (18-23), 15-10, (2-7 of 2-8) en wit kan de reddende zet (23-28) niet meer pareren. Zelf beschouw ik 3.2 als een voorstudie en 3.3 als een volwaardige compositie. Maar voor beginnende problemisten is 3.2 natuurlijk een prima resultaat.  

3.4

34.jpg

Als ervaren problemist wil ik graag nog een andere vondst presenteren. Probleem 3.4.

Laat je niet afschrikken door de pittige inhoud, ik verwacht niet dat je zelf al spoedig tot een dergelijk resultaat komt. In deze 7 om 7 (al weer een miniatuur) wint wit door 38-32, 42x24, (23x32 of ?), 47-41! (36x47), 20-15! (19x30 A), 35x24, 25x3 enzovoort. Bij A verliest ook direct (47x20), 25x3 omdat op bijvoorbeeld (32-38) het damschuifoffer 3-14 ! volgt met een zelfde soort beslissende achterwaartse aanval als in het cursusmotief. Zonder schijf 35 zou in deze variant de winst zelfs geheel zuiver zijn en dat nieuwe (?) motief blijkt ook niet met slagwerk te zijn bewerkt! Voor zover ik weet althans. Zo zie je dat je tijdens het componeren vanzelf weer op mogelijk nieuwe vondsten stuit. Op het achterhalen van het al dan niet al bestaan van je problematieke vondsten kom ik later in de cursus terug. Trouwens, met ‘ervaren problemist’ bedoel ik vooral het door de problemist zoeken naar extra effecten zoals keuze- of dwangslagen, waar het voor starters al niet meevalt om een ‘recht toe recht aan-probleem’ te maken. Ook het streven naar functionaliteit van schijf 47 in voorbeeld 3.4, schijf 47 dient namelijk als steunschijf voor de slag 42x24 alvorens schijf 36 naar dam te loodsen, hoort bij de extra bagage van een ervaren auteur (of, indien je als starter hier al op let, groot talent!). Je kunt je voorstellen dat ik tevreden was met probleem 3.4. Vooral ook omdat motiefschijf 32 wordt ‘gebracht’ en het geheel een ‘partijnatuurlijk karakter’ heeft.

Een grotere slag

In dia 3.2X zagen we de slag 25x3 plaatsvinden over twee zwarte stukken. Het kan natuurlijk ook over vier stukken. In dia 3.5X heb ik er al vast een voorafgaande slag aan toegevoegd.

De bewerking 3.5 is met een gezonde dosis zoekwerk prima te vinden en dan blijkt er ook een prettige dosis geluk aan te pas te komen… Wit start brutaal met 18-13! Slaat zwart meteen naar dam dan blijkt de witte dam veel sterker: (36x47), 13x2 en na het gedwongen (47x24), 20x29 verliest zwart kansloos. Beter lijkt het dus om na 18-13 gewoon met de schijf te slaan: (9x18), 20x9. Een nieuw keuzemoment. Opnieuw zal de zwarte dam na (36x47) 9-3!  hoe dan ook sneuvelen. Daarom luidt de tweede dwangslag (4x13). Dan komt echter de aap uit de mouw, want met 35-30! en 30-24! leidt wit dia 3.5X in! Het geluk zit ‘m hier duidelijk in het feit dat wit telkens een ijzersterke dam kan halen, hoe zwart ook slaat. Dit probleem, de eerste slagwerkbewerking van het cursusmotief, is gepubliceerd in DP (De Problemist) augustus 2009, in mijn eigen rubriek.

3.5X                        3.5                         3.6                             

35a.jpg 35.jpg 36.jpg

In plaats van een dam op veld 20 mag er daar uiteraard ook een schijf terecht komen. Met dia 3.6 slaagde ik er in ongeveer hetzelfde slagsysteem te bewerken, ondertussen de witte schijf op veld 13 (zie 3.5) op z’n plek brengend. Namelijk door 34-29, 29x18, 18-13, 20x9, 30-24, 25x3 enzovoort. “Simple as that” en toch een prettige aanvangsstand waarin de slag 25x3 goed verborgen is. Je kunt zelf wel bedenken hoe de problemen 3.2 tot en met 3.6 ontstonden. Namelijk van motief naar werkstand naar eindproduct. In het geval van probleem 3.4 zit er logischerwijs meer tijd in, meer zoekwerk.

Pech

Zoals je ziet heb ik in de getoonde composities tot nu toe best het nodige geluk gehad. Dwangslagen die goed van pas komen, meerslagen die prettig blijken te passen. Geen bijoplossing of zetverwisseling. Toch had ik tijdens het componeren ook wel eens pech. Een jammerlijk voorbeeld staat afgebeeld op dia 3.7, maar eerst zien we de aanleiding.

3.7X                          3.7

37x.jpg   37.jpg

Dia 3.7X heeft iets weg van dia 3.5X. De bedoeling is duidelijk: in plaats van (47x20) wilde ik nu (50x20) op het bord brengen. Dat kan zo te zien goed dankzij het slagje 30x39 na 50-44 (39x50). Uiteindelijk kwam ik na een half uur zoeken tot dia 3.7 met de naar mijn smaak mooie fantasiestand en oplossing 22-17, 47x29, 20-15 waarmee dia 3.7X is ontstaan. Compensatie voor de doorgebroken zwarte schijven (vooral 43 en 44) vind ik in de esthetisch geslaagde aanblik van het geheel. Sommige zouden het een “organisch” plaatjes noemen. Het probleem noteerde ik in mijn problemenboek – je weet wel, met zelf op blanco bladzijden gestempelde diagrammen, met bijbehorend probleemnummer, aantekeningen, eventueel locatie waar het probleem ontstaan is, enzovoort. Sowieso een goede tip: maak twee soorten probleemboeken voor jezelf. Eén waarin je ideeën noteert (eventueel op diagram) en één waarin je gevonden, bij voorkeur goed gecontroleerde problemen noteert. 

Probleem 3.7 had ik als gevolg van m’n enthousiasme vlot in mijn ‘echte problemenboek’ opgenomen. Toen ik nog eens naar het diagram keek schrok ik plots van de mogelijkheid 50-45! in plaats van 50-44. Dan heeft zwart een probleem want zijn voorste schijven zijn plots immobiel geworden. Kijk maar wat de consequenties van die zet zijn (in 3.7X): waar 15-10, (34-40) remise wordt laat 50-45 zwart niets anders dan (19-23), 15-10, (18-22) en nu zouden er op 10-4 en 10-5 reddende tegenacties volgen, maar wit wacht geduldig af. Na 24-20 (8-12!) is dam halen nog steeds niet goed. Nog een zet wachten met 20-14 of beter nog 20-15 laat zwart echter reddeloos achter op het bord. Controle met de computer bevestigde inderdaad dat wit dan gaat winnen. Al met al noemen we dit een bijoplossing. Weliswaar een vrij langdradige, maar wel een ‘harde’. Er is niet eens een ellenlange zettenreeks voor nodig. Je zou kunnen zeggen dat de compositie door deze variant niet waardeloos is geworden, maar toch ervaar ik zo’n tactische nevenwinst als storend.

In “de probleemwereld” gaan stemmen op om langdradige bijoplossingen, waarbij vaak de computer het laatste woord heeft, te negeren. Vele fraaie composities uit het (computerloze) verleden zouden immers door de moderne techniek afgeschreven worden als je de regel handhaaft dat een compositie echt maar één ‘scherpe’ winst mag bevatten. Het laatste woord zal er waarschijnlijk nooit over gezegd zijn. Iedere problemist moet zich vooral door zijn eigen ‘probleemgevoel’ laten leiden. Mijn gevoel zegt me dat je een kunstwerk pas moet afschrijven als de inhoud en vorm ervan niet meer overeen komen met je eigen wensen. De regels moeten niet het gevoel in de weg gaan staan! Dat ik dia 3.7 toch met een goed gevoel laat zien zegt wat dat betreft genoeg.

Als slot van deze aflevering licht ik twee genoemde problematieke termen toe.

1) Bijoplossing

Wit speelt en wint is meestal de opdracht in een damprobleem, maar dan wel graag volgens één specifieke methode, oftewel ‘eenduidig’. Dit geldt voor de zogenaamde scherpe problematiek. Voor eindspelen gelden lichtere regels omdat het slot vaak slag- of zetkeuze voor een witte dam laat tijdens één of meerdere varianten. Voor de partijproblemen die zich niets aantrekken van scherpe regels – ik noem ze altijd ‘praktische slagzetten’ – gelden geen regels, al is de wens uiteraard dat er slechts 1 winnende combinatie in de stand aanwezig is. Na zo’n combinatie staat wit (of zwart) meestal zodanig gewonnen dat er gewoon besloten wordt met de afkorting W+ (wit wint). Het zijn vaak deze composities die evengoed in een partij hadden kunnen voorkomen en wellicht daardoor is dit genre problemen populair bij partijspelers pur sang. Om toch een definitie van het begrip bijoplossing in de ‘scherpe problematiek’ te geven doe ik een poging.

Bijoplossing = elke andere dan de door de problemist bedoelde winstvoering, behalve verwisseling van zetten. Te beginnen vanuit de aanvangsstand of afwijkend gedurende de auteursoplossing.

2) Zetverwisseling

Nu eerst maar de definitie: via een verwisseling van zetten haalt wit de volgens de problemist bedoelde winst binnen. In feite is dat een variatie op de bijoplossing die minder ernstig wordt gevonden. De winst is niet eenduidig, maar komt wel op hetzelfde neer. Vaak moet zwart voor de zetverwisseling kiezen omdat op een eventuele (indien mogelijk) andere reactie een ‘echte bijoplossing’ volgt. In de scherpe problematiek is zetverwisseling, net als bijoplosbaarheid, decennia lang reden geweest om problemen af te schrijven. Daarom leidde dit euvel er toe dat de problemist zocht naar een eigenaardige beginstand die de zetverwisseling vermijdt. De standverklaring is dan echter vaak zo gezocht dat je zou kunnen twijfelen wat erger is, twee zetten die verwisselbaar zijn of een manke aanvangsstand. Nog veel vaker besloten problemisten een eerste zet weg te laten om zetverwisseling te voorkomen. Of een probleem mooier is met een witte schijf ‘te weinig’ bij aanvang, of een zetverwisseling ? Ik weet het niet. Het hangt van de situatie af. Een bekende (top)problemist als Leen de Rooij pleit er tegenwoordig voor om zetverwisseling toe te staan als het de vorm van het probleem ten goede komt. En ook als er inhoudelijk schitterend werk wordt vertoont!

Met opzet geef ik beschrijvingen van deze termen, naast definities. De bedoeling is dat je zelf tijdens het componeren nadenkt over hoe de probleemstand op te tuigen. Wat is de ideale vormgeving van je idee ?

De opdracht voor deze keer is simpel. Probeer nieuwe problemen te maken op basis van het cursusmotief of een van de variaties daarvan (zie motievenblok). Geef aan mij je vondsten door en schrijf dan ook eens op wat je van de problematiek vind. Hoe denk je over bijoplossing en zetverwisseling ? Waarnaar gaat jouw voorkeur uit bij het componeren ? Dat zijn vragen die je goed voorbereiden op de rest van de cursus !

Voor damredacteuren in het land biedt deze aflevering van de cursus een mogelijkheid de cursus onder de aandacht van hun lezers te brengen. De problemen 3.2, 3.3, 3.4, 3.6 en 3.7 zijn nog niet officieel gepubliceerd (afgezien van deze damXL-publicatie dan). Ik laat mij graag verrassen door wie er het eerst bij is met het overnemen van een of meerdere van de genoemde composities. (Nummer 3.7 kunt u beter laten zitten als u geen ‘b.o.’ wilt.)

Laat u het mij wel even weten ? ( Dit e-mailadres is beschermd tegen spam-bots, U heeft Javascript nodig om dit weer te geven )